Het getraliede afvoerputje van de hulpverlening  

In 1937 schrijft jeugdrechtdeskundige dr.mr. Schenk over de problemen in het kinderrecht. Particuliere hulpverleningsinstanties mogen een kind weigeren en bovendien kampen behandelinstellingen met een chronisch plaatstekort. De moeilijke gevallen blijven vastzitten in gesloten rijksinstellingen die niet op behandeling berekend zijn. Het onderscheid tussen straf en hulpverlening is op deze manier onduidelijk.  

De kritiek van Schenk is bijna zeventig jaar oud, maar had vandaag geschreven kunnen zijn. Want er is niet veel veranderd. Ook nu is er in behandelinternaten vaak geen plaats. Nog altijd kan de reguliere jeugdhulpverlening een moeilijk kind overplaatsen en tenslotte afschuiven naar justitie. Het gevolg? In het Nederland van 2004 wordt circa de helft van alle cellen in justitiële jeugdinrichtingen bezet door kinderen die daar niet strafrechtelijk zijn geplaatst.  

In tientallen gevallen gaat het daarbij om heel jonge kinderen, zo berichtte deze krant. Zoals de negenjarige Erwin, die wegens een gedragsstoornis al vier maanden vastzit in jeugdgevangenis Het Poortje. Kinderen kunnen pas strafrechtelijk worden vervolgd vanaf hun twaalfde verjaardag. Maar voor opsluiting onder de noemer van hulpverlening geldt geen minimumleeftijd.  

Tot september 2001 moest de minister van justitie een speciale machtiging afgeven om een kind jonger dan twaalf te laten opnemen in een jeugdgevangenis. Onder zwijgend toekijken van de Tweede Kamer is deze bepaling geschrapt en geldt bovendien een crisisconvenant: als een kind in nood nergens anders terecht kan, moet er binnen een week een cel beschikbaar zijn. Het blijkt een kolfje naar de hand van de falende hulpverlening, die haar moeilijke gevallen nu eindelijk kwijt kan.

 
Jonge kinderen met gedragsproblemen worden nu dus opgesloten samen met  jeugdige criminelen. Volgens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming leidt  dit regelmatig tot intimidaties. Bovendien valt een incestslachtoffer van negen onder exact hetzelfde regime als een veroordeelde verkrachter van negentien. De scheiding tussen straf en hulpverlening is nog steeds volkomen zoek.
 

Het opsluiten van gedragsgestoorde minderjarigen in jeugdgevangenissen gaat terug tot 1901. De regering besloot toen dat jeugdstrafrecht en jeugdhulpverlening eigenlijk hetzelfde doel dienen, namelijk heropvoeding. Ruim een eeuw later zitten wij nog steeds opgezadeld met dit verlichte gedachtengoed. Daardoor bestaat in Nederland veel gesloten opvang voor probleemjongeren, maar op de verkeerde plaats, namelijk bij justitie.  

Vier jaar geleden onderzocht het ministerie van Justitie het Nederlandse beleid in internationaal perspectief. De onderzoekers concluderen dapper dat wij niet uit de toon vallen, maar uit de door henzelf verzamelde gegevens blijkt iets anders: er is vermoedelijk geen ander Europees land waar zo veel kinderen onschuldig worden opgesloten in strafinrichtingen. Begin dit jaar is Nederland vanwege deze misstand berispt door het VN-comité voor de rechten van het kind.  

Minister van Justitie Donner benadrukt het 'pedagogische karakter' van de justitiële jeugdinrichtingen. Maar de instellingen zien eruit als een gevangenis en de interne regelgeving is vier jaar geleden door de Tweede Kamer betiteld als een 'strafregime'. Luchten en bezoek ontvangen is alleen beperkt mogelijk. Speelgoed mag om veiligheidsredenen soms niet worden ingevoerd. In het belang van de orde of veiligheid kan geweld worden gebruikt en bij wangedrag wacht zonodig de isoleercel, waar het kind in extreme gevallen zelfs mag worden vastgebonden. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming vindt het onderbrengen van twaalfminners in dit soort instellingen dan ook 'volstrekt onwenselijk'.  

De overheid zoekt inmiddels naar een noodoplossing voor jonge kinderen in detentie. Internaat De Horizon in Alphen aan den Rijn start nu een begeleidingsproject met tien plaatsen. Maar honderden gedragsgestoorde minderjarigen blijven gewoon achter tralies zitten.  

De justitiesector fungeert als het getraliede afvoerputje van de jeugdhulpverlening. Als een kind binnen de reguliere jeugdzorg mislukt, komt het arrestantenbusje voorrijden. Daardoor blijft een systeem in stand waarin een kind zoals Erwin vijf jaar lang kan worden overgeplaatst om tenslotte in de jeugdgevangenis te belanden. Vanzelfsprekend komt passende hulpverlening voor moeilijke gevallen zo nauwelijks van de grond.  

Ana van Es
student rechten en psychologie, RUG


Een gedeelte van dit artikel heeft op 18 Maart 2004 in het dagblad van het noorden gestaan.